Functies van bakhuisjes

Eeuwenlang stond er bij vrijwel elke boerderij en elk groepje woningen een bakhuis(je). In dorpen en op het platteland bakten mensen hun eigen broden, vlaaien en koeken. Daarvoor waren in Limburg vele duizenden bakovens aanwezig. Professionele bakkers waren er nauwelijks; alleen in de steden ging deze beroepsgroep zich geleidelijk aan ontwikkelen.

De ‘thuisbakkerijen’, met ofwel een inpandige houtoven, ofwel een speciaal bakhuis, speelden zowel economisch als maatschappelijk een rol van betekenis.

Economisch, omdat er een hele reeks van al dan niet professionele activiteiten met het bakken samenhing. Het verbouwen, oogsten en malen van graan. Het kweken en verwerken van fruit. Het hakken en sprokkelen van hout. En natuurlijk het bouwen en tussentijds herstellen van ovens en bakhuisjes. Zo bezien vormde het bakhuis de spil van een lokale micro-economie.

Daarnaast vervulden bakhuisjes een maatschappelijke functie. Ze brachten mensen samen. En dan niet alleen de bouwers en de leveranciers van grondstoffen, maar ook de familieleden en de omwonenden. Het bakken was een activiteit die het best in teamverband kon worden uitgevoerd. Zeker als de producten wat ingewikkelder waren dan alleen maar brood. Daarmee droeg het bakhuis bij aan wat tegenwoordig de sociale cohesie wordt genoemd.

De sociaal-economische rol die bakhuisjes eeuwenlang hebben vervuld, gecombineerd met hun cultuurhistorische betekenis, is een belangrijke overweging geweest om ze tot onderwerp van een monitoringproject te maken. Andere factoren zijn het karakteristieke voorkomen van bakhuisjes en hun inpassing in het cultuurlandschap. De tot de verbeelding sprekende activiteit van het stoken van houtovens heeft eveneens meegewogen, temeer omdat hiervoor een hernieuwde aandacht valt te bespeuren.